Onderzoek: queer nachtleven verschuift naar collectieven zonder vaste zaal
Onderzoekers telden het afgelopen jaar meer dan zestig actieve collectieven, tegenover een krimpend aantal vaste homozaken. De feesten trekken een jonger en breder publiek.

Het queer nachtleven verschuift naar collectieven zonder vaste zaal, blijkt uit nieuw onderzoek. De onderzoekers telden het afgelopen jaar meer dan zestig actieve collectieven, tegenover een krimpend aantal vaste homozaken. De onderzoekers spreken van een verschuiving die zich in vrijwel elke grotere studentenstad aftekent.
De feesten trekken een jonger en breder publiek dan de klassieke uitgaansgelegenheden. Bezoekers komen vaak af op een specifiek collectief en zijn minder gebonden aan een vaste plek, waardoor de scene fluïder en wisselender oogt dan voorheen. Een avond kan de ene keer in een loods en de andere keer in een galerie plaatsvinden.
De collectieven huren per editie een zaal en verkopen hun kaarten vrijwel uitsluitend online. Daarmee zijn ze minder afhankelijk van horecavergunningen, maar ook onzichtbaarder voor gemeentelijk beleid, dat nog vooral op vaste panden is gericht. Daardoor vallen deze feesten vaak buiten de regelingen waarmee gemeenten het uitgaansleven ondersteunen.
Die flexibiliteit is tegelijk hun kracht en hun zwakte. Zonder vaste lasten kan een collectief snel starten en makkelijk experimenteren, maar het mist ook de zichtbaarheid en de zekerheid die een eigen adres met zich meebrengt. Bezoekers moeten telkens opnieuw uitzoeken waar een feest is, wat nieuwkomers kan afschrikken.
De opkomst hangt volgens de onderzoekers samen met de hoge huren, die een eigen zaal voor veel organisatoren onbetaalbaar maken. Een feest per keer op een gehuurde locatie is financieel eenvoudiger rond te krijgen dan een pand dat het hele jaar geld kost. Voor jonge organisatoren zonder startkapitaal is dat vaak de enige haalbare manier om te beginnen.
De onderzoekers zien de verschuiving niet als verlies, maar wel als risico. Zonder vaste plek verdwijnt een feest geruisloos zodra de organisatoren stoppen, en met hen verdwijnt vaak ook de opgebouwde gemeenschap eromheen. Wat verdwijnt is dan niet alleen een feest, maar ook het netwerk van mensen dat eromheen ontstond.
Een scene zonder adres kun je niet beschermen.
Voor gemeenten levert dat een blinde vlek op. Beleid rond nachtcultuur draait doorgaans om panden en vergunningen, terwijl juist de plekloze collectieven het straatbeeld van het uitgaan bepalen. Beleidsmakers zien daardoor maar een deel van wat er in hun stad werkelijk gebeurt.
Bovendien vervullen de feesten volgens de onderzoekers een sociale functie die verder gaat dan uitgaan. Voor veel bezoekers zijn het de weinige plekken waar ze zich volledig op hun gemak voelen, iets wat in een onzichtbare scene lastig te beschermen is. Juist die veilige plekken vallen buiten beeld zodra beleid alleen naar vergunningen en panden kijkt.
Het rapport adviseert gemeenten daarom om nachtcultuurbeleid niet langer aan panden op te hangen, maar aan organisaties. Steun zou dan meebewegen met de makers, ook als die van locatie naar locatie trekken. Een subsidie aan een organisatie verhuist dan simpelweg mee naar de volgende zaal.
Enkele steden experimenteren daar al mee, bijvoorbeeld door collectieven rechtstreeks te ondersteunen bij het huren van een zaal. De onderzoekers noemen dat een begin, maar wijzen erop dat het nog nergens vast beleid is geworden. De onderzoekers roepen gemeenten op die proeven te evalueren en de geslaagde aanpak vast te leggen.

