Onderzoek · 4 min lezen · door de redactie

Onderzoek: oudere lhbti-personen vaker eenzaam dan leeftijdsgenoten

Het verschil is het grootst onder alleenstaande mannen boven de zeventig. Onderzoekers pleiten voor gerichte aandacht in de ouderenzorg.

Illustratie van dicht opeenstaande stoelen met daarnaast een grote lege ruimte en één losstaande rode stoel.
Illustratie: AI-gegenereerd voor GaySite.nl — geen foto van de gebeurtenis.

Oudere lhbti-personen zijn vaker eenzaam dan hun leeftijdsgenoten, blijkt uit nieuw onderzoek. Het verschil is het grootst onder alleenstaande mannen boven de zeventig, een groep die er in de cijfers duidelijk uitspringt. Ook bij vrouwen en bij stellen is het verschil zichtbaar, maar minder uitgesproken dan bij deze groep.

In het onderzoek onder ruim drieduizend ouderen rapporteert deze groep vaker een klein sociaal netwerk. Kinderen en kleinkinderen ontbreken vaker als vanzelfsprekende schakel, waardoor het contact met de buitenwereld sneller wegvalt. Waar leeftijdsgenoten via kinderen betrokken blijven bij het dagelijks leven, ontbreekt die vanzelfsprekende band vaker.

De onderzoekers plaatsen het beeld in een historische context. Veel van deze ouderen groeiden op in een tijd waarin openlijk uitkomen risico's met zich meebracht, en sommigen hielden hun leven daardoor decennialang gescheiden van familie en collega's. Sommigen hebben nooit iemand in vertrouwen genomen, en dragen dat op hoge leeftijd nog altijd met zich mee.

Die achtergrond werkt op hoge leeftijd door. Wie gewend is voorzichtig te zijn, doet dat niet zomaar af, zeker niet in een omgeving waar de vanzelfsprekendheid van jongere generaties ontbreekt. In een verzorgingshuis komen bovendien generaties samen die heel verschillend tegen het onderwerp aankijken.

Daar komt bij dat het informele vangnet dat bij ouder worden zo belangrijk wordt, bij deze groep vaker ontbreekt. Waar leeftijdsgenoten terugvallen op kinderen of buren, moeten zij het vaker hebben van vrienden die zelf ook op leeftijd raken. Valt zo'n vriendenkring weg, dan is er zelden een jongere generatie die de zorg vanzelf overneemt.

Zorginstellingen herkennen het beeld, maar zeggen zelden zelf het gesprek te openen over seksuele oriëntatie. Bewoners melden dat op hun beurt ook niet, waardoor het onderwerp aan beide kanten onbesproken blijft. Personeel weet daardoor vaak niet wie voor hen zit, en stemt de zorg daar ook niet op af.

Wie op zijn tachtigste weer terug in de kast gaat, verliest twee keer.

Dat stilzwijgen heeft gevolgen. Zonder dat de omgeving weet wie iemand is, verdwijnt een deel van diens levensverhaal uit beeld, en juist dat gedeelde verleden blijkt van belang voor het gevoel ergens bij te horen. Kleine gebaren, zoals een foto van een partner die er mag staan, blijken volgens de onderzoekers al veel te doen.

Enkele instellingen proberen dat te doorbreken met herkenbare initiatieven, van een vast inloopmoment tot geschoold personeel. De onderzoekers noemen zulke voorbeelden hoopgevend, maar wijzen erop dat ze nog te schaars zijn om het landelijke beeld te veranderen. De onderzoekers pleiten er daarom voor om succesvolle voorbeelden breder te delen tussen instellingen.

De onderzoekers adviseren om het onderwerp op te nemen in het standaardgesprek bij opname. Zo hoeft een bewoner niet zelf het initiatief te nemen, en wordt duidelijk dat er ruimte is om erover te praten.

Een vervolgstudie loopt tot volgend jaar en moet uitwijzen welke aanpak in de praktijk werkt. De onderzoekers hopen dat instellingen op basis daarvan hun begeleiding gericht kunnen aanpassen.

Lees ook