Zeeland krijgt zijn eerste regenbooghuis
Middelburg stelt een pand beschikbaar voor een ontmoetingsplek. Vrijwilligers draaien de openingstijden; de provincie betaalt de huur voor drie jaar.

Zeeland krijgt zijn eerste regenbooghuis. Middelburg stelt een pand beschikbaar voor een ontmoetingsplek; vrijwilligers draaien de openingstijden en de provincie betaalt de huur voor drie jaar.
Het huis opent in het najaar en richt zich in eerste instantie op jongeren en op ouderen die weinig aansluiting vinden in de regio. Beide groepen missen volgens de initiatiefnemers een vaste plek waar ze zonder afspraak kunnen binnenlopen. Voor beide groepen kan het verschil maken tussen een dag alleen thuis en een middag met anderen.
Een regenbooghuis is doorgaans een laagdrempelige ontmoetingsplek: een plek voor een kop koffie, een praatje of een activiteit, zonder dat er meteen een hulpvraag aan te pas komt. Juist die vrijblijvendheid maakt de drempel laag. Bezoekers hoeven zich er niet aan te melden of iets te bewijzen; een keer langskomen is genoeg.
Voor jongeren kan zo'n plek een eerste plaats zijn om leeftijdsgenoten te ontmoeten die hetzelfde meemaken. Voor ouderen biedt het huis juist gezelschap in een levensfase waarin het sociale netwerk vaak kleiner wordt en contacten wegvallen. Voor ouderen die hun partner of vrienden verloren, kan zo'n vaste ontmoetingsplek een deel van dat gemis opvangen.
Initiatiefnemers wijzen op de reisafstanden in de provincie. Voor veel inwoners was het dichtstbijzijnde regenbooghuis tot nu toe in Rotterdam of Breda, wat voor een bezoek al snel een halve dag reizen betekent. Voor wie slecht ter been is of geen auto heeft, was dat in de praktijk vrijwel onmogelijk.
Anderhalf uur reizen voor een kop koffie doet niemand twee keer.
De keuze voor Middelburg heeft ook een praktische kant. De stad ligt centraal genoeg om vanuit meerdere delen van de provincie bereikbaar te zijn, al blijft het openbaar vervoer op het platteland een terugkerend knelpunt. De initiatiefnemers onderzoeken daarom of vrijwilligers bezoekers uit de omliggende dorpen kunnen ophalen.
De opzet leunt sterk op vrijwilligers, die de openingstijden en de activiteiten verzorgen. Dat houdt de kosten laag, maar maakt het huis ook kwetsbaar: valt een groep vrijwilligers weg, dan komt de bezetting meteen onder druk te staan.
De initiatiefnemers zeggen daarom vanaf het begin te willen investeren in het opleiden en binden van vrijwilligers. Een vaste kern moet voorkomen dat het huis afhankelijk wordt van een handvol mensen dat alles draagt. Om de continuïteit te borgen, zoekt het huis samenwerking met lokale verenigingen en scholen.
De provincie ziet de bijdrage als een proef. Door de huur voor drie jaar vast te leggen, krijgt het initiatief de tijd om een vast publiek op te bouwen voordat er een oordeel over het nut wordt geveld. Drie jaar geeft het initiatief de ruimte om bekendheid op te bouwen, wat in een dunbevolkte provincie tijd kost.
Na die drie jaar volgt een evaluatie. De provincie bekijkt dan of de bijdrage wordt verlengd en of het huis voldoende inwoners heeft bereikt om het bestaan ervan te rechtvaardigen. Bij een positieve uitkomst willen de initiatiefnemers de openingstijden uitbreiden en meer activiteiten aanbieden.

